Dilemma’s bij de bescherming van de moeflonpopulatie in Het Nationale Park De Hoge Veluwe
Prof. (em.) dr. R. van den HovenMr. P. van Schooten
Prof.dr. T. Spek
Prof.dr. Tom van Engers
Samenvatting
Het Nationale Park De Hoge Veluwe vormt een uniek, omrasterd cultuurlandschap waarin natuur, cultuur en architectuur vanaf het begin van de 20e eeuw bewust als één Gesamtkunstwerk zijn ontworpen. De introductie van de moeflon door de familie Kröller‑Müller maakt sinds 1921 onlosmakelijk deel uit van dit ontwerp en geldt inmiddels als levend historisch erfgoed en belangrijke drager van ecosysteemdiensten, toerisme en recreatie.
Ecologisch is de moeflon op De Hoge Veluwe van cruciale betekenis voor het in stand houden van diverse open, voedselarme habitattypen, waaronder stuifzandheiden (H2310), actieve zandverstuivingen (H2330) en heischrale graslanden (H6230*). Het park herbergt een zeer substantieel deel van de totale oppervlakte van deze habitattypen binnen de Veluwe, waar het park circa 6% vanuit maakt: voor heischrale graslanden gaat het om circa 58%, voor zandverstuivingen om 38% en voor stuifzandheiden om 15% van de Veluwe‑oppervlakte. Deze habitattypen en de mede hieraan gebonden vogelsoorten (o.a. draaihals, tapuit, grauwe klauwier, boomleeuwerik, nachtzwaluw) zijn Natura-2000‑doelen waarvoor Nederland en specifiek de Veluwe een bijzondere verantwoordelijkheid draagt.
De moeflon onderscheidt zich van andere grote grazers door zijn voedselkeuze, in het bijzonder de consumptie van jong opschot van Grove den. Daarmee voorkomt de diersoort het versneld dichtgroeien van open heide‑ en stuifzandcomplexen onder invloed van stikstofdepositie. Mechanische maatregelen (plaggen, chopperen, branden, maaien) en inzet van andere grazers kunnen deze functie slechts ten dele en tegen hoge kosten overnemen en vormen geen volwaardig alternatief voor de basisbegrazing door moeflons.
Met de terugkeer van de wolf op de Veluwe is echter een acute bedreiging ontstaan voor de moeflonpopulatie binnen het volledig omrasterde Park. Deze rasters werden door de Provincie Gelderland als afdoende bescherming gezien tegen pogingen van wolven om binnen te dringen (Van den Brink 2022). In 2021 zijn desondanks één en later twee wolven binnen het Park terechtgekomen, mogelijk niet door natuurlijke dispersie. Het niet sterk ontwikkelde antipredatorgedrag van de moeflon maakt deze diersoort extreem kwetsbaar voor wolvenpredatie in laagland‑situaties. Daarbij is bovendien vaak sprake van zogenaamde ‘surplus killing’, een gedragspatroon waarbij wolven veel meer prooien doden dan nodig is voor hun metabole behoefte. Dit fenomeen treedt niet op in situaties waarin hun prooidieren zich effectief verdedigen of kunnen vluchten.
Binnen nog geen anderhalf jaar daalde het aantal vrijlevende moeflons in het Park van 339 naar 0 dieren! Het Park is er wel in geslaagd om tijdig nog een 30-tal te vangen. Onder de huidige bedreigingsstatus kunnen deze dieren hun unieke en essentiële graas- en browsefunctie niet meer uitvoeren. Het verdwijnen van de moeflon zal daarom op korte termijn leiden tot versneld dichtgroeien en kwaliteitsverlies van de genoemde habitattypen, waardoor het evident is dat de instandhoudingsdoelen van Natura-2000 op de Veluwe in gevaar komen. Alternatieve beheervormen kunnen deze achteruitgang volgens de uitgevoerde analyses niet tijdig en niet volledig compenseren.
Nationaal Park De Hoge Veluwe heeft na aanvallen op in het park verblijvende gasten verschillende pogingen gedaan om een als probleem-wolf aangewezen dier te verwijderen, maar ook ter bescherming van de in het park levende wilde dierpopulaties, waaronder de moeflons neemt de roep om beheermaatregelen toe zeker nu de de reeds genomen en eerder genoemde beheermaatregelen niet voldoende effectief zijn gebleken. Juridisch is de situatie complex. Op 8 mei 2025 heeft het Europees Parlement de beschermingsstatus van de wolf in de EU aangepast van ‘strikt beschermd’ naar ‘beschermd’, in overeenstemming met het Verdrag van Bern1. Dit betekent dat de beschermingsstatus van de wolf op dit moment hetzelfde is van veel andere diersoorten zoals het edelhert, reeën en wilde zwijnen. Tegelijkertijd vloeien uit de Habitatrichtlijn, Natura-2000‑aanwijzing en de Bern‑conventie verplichtingen voort om de kwaliteit van habitats en populaties van andere soorten, op een gunstig niveau te houden. Het Verdrag van Bern erkent wilde flora en fauna expliciet als cultureel erfgoed en verplicht staten om populaties op een niveau te houden dat recht doet aan ecologische, wetenschappelijke én culturele vereisten.
De wijziging van de Europese beschermingsstatus is overigens nog niet verwerkt in de nationale regelgeving. Een daartoe strekkend ontwerpbesluit is in procedure gebracht.
Voorts is op nationaal niveau een discussie gaande over de kwalificatie van de moeflon als exoot versus (mogelijk) inheemse soort, mede naar aanleiding van een motie van de Tweede Kamer en het daaruit voortvloeiende juridische adviestraject over de beschermingsstatus van de moeflon. Tegelijkertijd wordt de moeflon in de literatuur omschreven als “een zeldzaam wild huisdier”, wat de hybride positie tussen gehouden en wild dier illustreert. Deze duale status werkt door in de juridische afweging: de moeflon is tegelijk onderdeel van historisch erfgoed alsmede beheerd wild. Het is onwaarschijnlijk dat de moeflon in Nederland de status van wilde diersoort, dat wil zeggen beschermde soort onder internationale verdragen, zal worden (zie advies van L Boerema et.al 2025 aan de Staatssecretaris van min. LVVN, zie ook https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-1231953.pdf).
Eerdere juridische studies en buitenlandse voorbeelden (o.a. Wolfsverordnung Brandenburg, Wolfsmanagementplan Brandenburg) laten zien dat zelfs toen de wolf nog strikte bescherming genoot, uitzonderingen op de bescherming van de wolf mogelijk waren, onder meer ter voorkoming van ernstige schade of ter bescherming van andere zwaarwegende natuur‑ of erfgoedbelangen. Inmiddels geldt deze strikte bescherming niet meer, en zou de wolf beheerd kunnen worden mits de staat van instandhouding in het leefgebied van de wolf gunstig blijft (voor de toepassing van de Habitatsrichtlijn zou daarbij uitgegaan moeten worden van West- en Midden-Europa, daar dit als een aaneengesloten leefgebied kan worden beschouwd, met voldoende uitwisseling tussen de verschillende roedels om genetische varieteit te behouden).
In deze context wordt in dit rapport, dat voortbouwt op eerder onderzoek zoals dat van Van den Brink (Van den Brink 2022) en Boerema et al. (Boerema et al. 2025), betoogd dat, binnen de specifieke en uitzonderlijke omstandigheden van het omrasterde Gesamtkunstwerk De Hoge Veluwe, gericht afvangen dan wel doden van wolven binnen het Nationaal Park De Hoge Veluwe ecologisch, cultuur‑historisch én juridisch verdedigbaar kan zijn, mits:
helder wordt aangetoond dat
a) geen volwaardig alternatief bestaat voor moeflonbegrazing;
b) afwezigheid van predatie noodzakelijk is om Natura-2000‑doelen te halen;
c) andere preventieve maatregelen (technische rasters, verjaging, verplaatsing wolven) niet doeltreffend of niet uitvoerbaar zijn.een strikte procedure met onafhankelijke monitoring, proportionaliteits‑ en subsidiariteitstoets wordt gevolgd.
de maatregel beperkt blijft tot het omrasterde Nationaal Park De Hoge Veluwe en is ingebed in het landelijke en provinciale wolvenbeleid.
De aanbevelingen zijn erop gericht om beleidsmatig ruimte te creëren voor selectief afvangen en, waar nodig, doden van wolven binnen de rasters van Nationaal Park De Hoge Veluwe, met behoud van de bescherming van de soort in het overige, open Veluwse landschap.
1. Inleiding
1.1 Aanleiding
De terugkeer van de grijze wolf (Canis lupus lupus) op de Veluwe valt samen met een reeds decennialange geschiedenis van moeflonbeheer binnen de rasters van Het Nationale Park De Hoge Veluwe. Sinds de introductie in 1921 hebben moeflons (Ovis orientalis musimon) zich in het Park ontwikkeld tot een kernonderdeel van zowel het landschap als het beheer. Door hun specifieke graasgedrag en het eten van jong Grove den‑opschot spelen zij een onmisbare rol in het openhouden van heiden, stuifzandheiden, heischrale graslanden en zandverstuivingen, habitattypen waarvoor de Veluwe, en binnen de Veluwe vooral Nationaal Park De Hoge Veluwe, van Europees belang is.
De indringing en vestiging van één en later twee wolven binnen het omheinde Nationale Park De Hoge Veluwe heeft binnen korte tijd geleid tot een complete reductie van de vitale vrijlevende moeflonpopulatie. Bij voortzetting van deze ontwikkeling kan de moeflon zijn essentiele beheerrol niet langer uitoefenen en daarmee een vindt een ernstige aantasting plaats van zowel Natura-2000‑doelen als het cultuurhistorische Gesamtkunstwerk dat De Hoge Veluwe vormt.
Op 8 mei 2025 heeft het Europees Parlement de beschermingsstatus van de wolf in de EU aangepast van ‘strikt beschermd’ naar ‘beschermd’, in overeenstemming met het Verdrag van Bern. Dit betekent dat de beschermingsstatus van de wolf op dit moment hetzelfde is van veel andere diersoorten zoals het edelhert, reeën en wilde zwijnen. De centrale vraag is daardoor niet óf de wolf als soort bescherming geniet – dat staat buiten kijf – maar onder welke voorwaarden een lokaal, gebiedsspecifiek beheer (afvang of doding van afzonderlijke individuen binnen de rasters van Het Nationale Park De Hoge Veluwe) verdedigbaar en juridisch mogelijk is. Overigens is de wijziging van de Europese beschermingsstatus nog niet verwerkt in de nationale regelgeving. Een daartoe strekkend ontwerpbesluit is in procedure gebracht.
1.2 Doelstelling en onderzoeksvraag
Doel van dit rapport is om, vanuit een wetenschappelijke en juridisch‑beleidsmatige invalshoek, te onderbouwen dat in de specifieke context van Het Nationale Park De Hoge Veluwe het afvangen dan wel doden van wolven binnen de rasters van Het Nationale Park De Hoge Veluwe noodzakelijk en verdedigbaar kan zijn om de moeflonpopulatie, het bijbehorende Natura-2000‑habitat en het cultuurhistorische Gesamtkunstwerk in stand te houden.
Daarbij staan de volgende deelvragen centraal:
Wat is de ecologische en cultuurhistorische rol van de moeflon in Het Nationale Park De Hoge Veluwe, en in hoeverre bestaat er een realistisch alternatief voor beheer met moeflons?
Wat zijn de gevolgen van wolvenpredatie binnen een omrasterd gebied voor de moeflonpopulatie en de Natura-2000‑doelen van Het Nationale Park De Hoge Veluwe?
Hoe verhouden de juridische verplichtingen rond de bescherming van de wolf, de bescherming van de moeflon (waaronder via de Bern‑conventie) en de instandhoudingsdoelen van Natura-2000 zich tot elkaar?
Onder welke voorwaarden is afvang en/of doding van wolven binnen het Nationaal Park De Hoge Veluwe juridisch en beleidsmatig verdedigbaar?
Het onderzoek bouwt voort op eerder onderzoek naar de moeflonpopulatie op Het Nationale Park De Hoge Veluwe van Van den Brink (Van den Brink 2022) en Boerema et al. (Boerema et al. 2025).
1.3 Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de positie van Het Nationale Park De Hoge Veluwe als Natura-2000‑kerngebied en als cultuurhistorisch Gesamtkunstwerk geschetst. Hoofdstuk 3 beschrijft de ecologische rol van de moeflon en de (on)mogelijkheden van alternatieve beheeropties. Hoofdstuk 4 behandelt de bedreiging door wolvenpredatie binnen het omrasterde Park. Hoofdstuk 5 zet de juridische kaders uiteen, inclusief de statusdiscussie rond de moeflon en de kwalificatie gehouden/wild dier. In hoofdstuk 6 volgt een integrale afweging van ecologische, juridische en cultuurhistorische argumenten, inclusief bespreking van tegenargumenten. Hoofdstuk 7 bevat de conclusies en beleidsaanbevelingen, gevolgd door een literatuurlijst.
2. De Hoge Veluwe als Natura-2000‑kerngebied en Gesamtkunstwerk
2.1 Bijdrage van het Park aan Natura-2000‑doelen
Het Nationale Park De Hoge Veluwe beslaat circa 5.400 ha (6% van de totaal oppervlakte) en maakt deel uit van het Natura-2000‑gebied Veluwe. Binnen het Park komen 12 van de voor de Veluwe kwalificerende habitattypen voor, met een gezamenlijke oppervlakte van omstreeks 1.909 ha. Dit komt neer op circa 8,5% van de totale oppervlakte van deze habitattypen op de Veluwe (Van den Brink 2022).
De bijdrage is echter bijzonder zwaarwegend voor enkele schaarse, open habitattypen:
H6230 Heischrale graslanden*: circa 189 ha binnen het Park, goed voor 58% van het totale areaal op de Veluwe.
H2330 Zandverstuivingen: circa 848 ha binnen het Park, 38% van het Veluwse areaal.
H2310 Stuifzandheiden: circa 270 ha binnen het Park, 15% van het Veluwse areaal.
Daarnaast zijn in het Park ook zwakgebufferde vennen, zure vennen, vochtige en droge heiden, jeneverbesstruwelen en oude eikenbossen aanwezig. Allen aangewezen N2000 habitats.
Voor diverse vogelrichtlijnsoorten – waaronder tapuit, boomleeuwerik, draaihals, nachtzwaluw, roodborsttapuit en grauwe klauwier – vervult Het Nationale Park De Hoge Veluwe een sleutelrol. Voor draaihals, tapuit en grauwe klauwier geldt zelfs een verbeteringsopgave voor de gehele Veluwe, waarbij een belangrijk deel van de kernpopulaties zich in het Het Nationale Park De Hoge Veluwe bevindt. Deze soorten zijn mede afhankelijk van open, structuurrijke heide‑ en stuifzandlandschappen, precies die habitats die mede dankzij de moeflon in goede staat zijn gebleven (Van den Brink 2022).
2.2 Het Park als Gesamtkunstwerk en erfgoed
Het Nationale Park De Hoge Veluwe is niet slechts een natuurgebied, maar een door de familie Kröller‑Müller ontworpen geheel waarin natuur, landschap, architectuur en kunst bewust met elkaar zijn verweven. De introductie van de moeflon door de familie is onderdeel van dat ontwerp en maakt sinds 1921 deel uit van het “totale pakket van grote cultuurhistorische waarde” dat aanleiding was voor de oprichting van Het Nationale Park De Hoge Veluwe in 1935.
De moeflon geldt daarmee als:
levend historisch erfgoed: integraal onderdeel van het door de overheid erkende erfgoed dat in 1935 veiliggesteld werd;
zichtbaar wild voor bezoekers: moeflons zijn dagactief en overdag goed waarneembaar, in tegenstelling tot edelherten en wilde zwijnen, die voornamelijk in schemer en nacht actief zijn;
economische drager: de bijzondere combinatie van natuur, kunst en wildleven – waaronder de moeflon – vormt een belangrijke trekpleister voor binnen‑ en buitenlandse toeristen; entreegelden zijn een cruciale inkomstenbron voor Het Nationale Park De Hoge Veluwe.
Het huidige beheer van Het Nationale Park De Hoge Veluwe is expliciet gericht op het behouden en in stand houden van het gehele erfgoed van de Kröller‑Müllers, inclusief de moeflonpopulatie binnen de buitenrasters. Dat plaatst de moeflon in een dubbel perspectief: als beheerinstrument én als erfgoedobject.
3. Ecologische rol van de moeflon en ontbreken van volwaardig alternatief
3.1. Graasgedrag en habitatpreferentie van grote herbivoren in voedselarme landschappen
De structuur en dynamiek van half-natuurlijke gras- en heide-ecosystemen in Europa worden in belangrijke mate bepaald door de activiteit van grote herbivoren. Verschillen in morfologie, spijsverteringsfysiologie en gedragsstrategieën leiden tot duidelijke variatie in voedselselectie en habitatgebruik tussen soorten (Gordon & Prins 2008).¹
Binnen de herbivoor-ecologie wordt vaak onderscheid gemaakt tussen grazer-typen op basis van hun voedingsstrategie en verteringsfysiologie. Runderen en schapen behoren tot de ruminanten (herkauwers), terwijl paarden tot de einddarmdarmfermenters behoren. Deze fysiologische verschillen beïnvloeden de efficiëntie waarmee dieren voedsel van verschillende kwaliteit kunnen benutten (Clauss et al. 2008).²
Einddarmfermenters zoals paarden hebben een relatief snelle passage van voedsel door het spijsverteringskanaal en zijn daardoor afhankelijk van relatief grote hoeveelheden ruwvoer van matige tot goede kwaliteit. Hierdoor vertonen paarden doorgaans een sterke voorkeur voor grasrijke vegetaties met een relatief hoge primaire productie (Duncan et al. 1990).³ In extensieve natuurgebieden leidt dit vaak tot een ruimtelijke concentratie van graasdruk op voedselrijke patches, terwijl voedselarme vegetaties relatief worden gemeden(Putman et al. 1990).⁴
Runderen vertonen een vergelijkbare voorkeur voor relatief productieve vegetaties. Studies in Europese heidelandschappen laten zien dat de lage voedingswaarde van soorten zoals Calluna vulgaris de voedselopname en energie-balans van runderen kan beperken, waardoor runderen hun graasactiviteit concentreren op grasrijke delen van het landschap(Van Soest 1990).⁵
Schapen vertonen een meer flexibele voedselstrategie. In vergelijking met runderen kunnen zij beter vegetaties met een hoger aandeel kruiden en struiken benutten. Desondanks blijven ook schapen selectief grazen op plantensoorten met een relatief hoge voedingswaarde wanneer deze beschikbaar zijn(Illias & Gordon 1990).⁶ Studies in mediterrane en bergachtige vegetaties tonen aan dat schapen in heterogene landschappen een mozaïek van voedselbronnen benutten, maar dat zij relatief voedselarme habitats minder intensief gebruiken wanneer alternatieven aanwezig zijn (Bartolomé 1998).⁷
Binnen dit spectrum neemt de moeflon (Ovis gmelini musimon) een enigszins afwijkende positie in. De soort is evolutionair aangepast aan relatief arme habitats, zoals droge berghellingen, rotsachtige landschappen en mediterrane steppe-achtige vegetaties (Shackleton1997).⁸ In dergelijke systemen is voedsel schaars en heterogeen verdeeld, waardoor moeflons een bredere voedselstrategie ontwikkelen die zowel grazen als browsing omvat (Cugnasse & Aulagnier 1997).⁹
Naast grassen consumeren moeflons regelmatig houtige vegetatie, jonge scheuten en opslag van bomen. Europese studies tonen aan dat moeflons onder meer opslag van naaldsoorten zoals grove den (Pinus sylvestris) kunnen benutten, wat bij runderen en paarden zelden wordt waargenomen (Reimoser & Putman 2011).¹⁰ Dit verschil wordt deels verklaard door fysiologische tolerantie voor secundaire plantstoffen en structurele kenmerken van naaldvegetatie (Bryant et al. 1983).¹¹
Onderzoek naar habitatgebruik van moeflons in Europese landschappen toont bovendien aan dat zij vaak relatief ruige en voedselarme habitats benutten die door vee of paarden minder intensief worden gebruikt (Apollonio et al. 2010).¹² In sommige ecosystemen kan dit leiden tot een vorm van niche-partitioning waarbij verschillende herbivoorsoorten verschillende delen van het landschap benutten (Olff et al. 2002).¹³
Deze functionele differentiatie heeft belangrijke implicaties voor natuurbeheer. Wanneer meerdere herbivoorsoorten aanwezig zijn, kan hun gecombineerde activiteit leiden tot een heterogener vegetatiemozaïek en daarmee tot een grotere habitatdiversiteit(Olff et al. 2002).¹³ In voedselarme ecosystemen zoals heide- en stuifzandlandschappen kan een herbivoor die zowel graast als houtige opslag benut een specifieke rol vervullen bij het tegengaan van verbossing en het behouden van open vegetatiestructuren (Vera 2000).¹⁴
Sinds de introductie is de moeflon onafgebroken aanwezig gebleven binnen de rasters van Het Nationale Park De Hoge Veluwe en heeft hij zich een eigen plek in het ecosysteem verworven. De soort levert diverse ecosysteemdiensten, in het bijzonder:
Regulerende diensten: regulering en behoud van habitatkwaliteit door begrazing van droge heiden, stuifzandheiden, heischrale graslanden en stuifzanden.
Culturele diensten: bijdragen aan recreatie, toerisme, natuureducatie en natuurbeleving.
Een uniek kenmerk van de moeflon is zijn afwijkende voedselkeuze zoals boven vermeld. De waarde van de moeflon is dat de soort de enige “grote” grazer is die flinke hoeveelheden de jonge opschot van Grove den eet. Dat is in de context van verhoogde stikstofdepositie cruciaal:
stikstof versnelt de successie van heide naar gras‑ en bosland;
Grove den en grassen koloniseren open, voedselarme zandige habitats snel;
door gericht begrazen van dennenopslag en ruigere vegetatie voorkomt de moeflon dichtgroeien van stuifzandheiden, zandverstuivingen en heischrale graslanden. Als alternatief tegenover het dennenscheren door vrijwilligers zorgt de soort voor een micro reliëf in de vegetatie omdat ook andere gewassen worden gegeten. Dit is een zeer gewenst integraal beheer van het landschap wat met alternatieven (die bovendien veelal hoge kosten met zich meebrengen) niet wordt bereikt.
Dat uitgerekend in het deel van de Veluwe waar moeflons meer dan een eeuw aanwezig zijn, open heide‑ en stuifzandlandschappen zonder actief ingrijpen door de mens nooit volledig zijn dichtgegroeid, onderstreept de sleutelrol van de soort in het behoud van deze karakteristieke landschappen.
Het staat de eigenaar en beheerder overigens vrij om te bepalen welke soorten voor (beheers)begrazing worden gebruikt, een en ander hangt samen met het terrein en de na te streven begrazingsdoelen. Zo zien we in Nederland ook de inzet van Schotse Hooglanders, Heckrunderen, Konikpaarden, etc. door terreinbeherende organisaties.
3.2 Stikstofproblematiek en beheer
Door atmosferische depositie van stikstofoxide en zwaveldioxide gaat de successie van heidelandschappen versneld. Zonder actief beheer groeien open heide‑ en stuifzandgebieden snel dicht. Het Nationale Park De Hoge Veluwe zet, naast begrazing door moeflons, ook in op:
kleinschalig plaggen en chopperen,
maaien en (gecontroleerd) branden,
natuurherstelprojecten zoals tijdelijke boekweitteelt, pleegakkers en uitstrooien van heidemaaisel.
Deze aanvullende maatregelen blijken echter de basisbegrazing door moeflons niet te kunnen vervangen. Ze zijn kostbaar, ingrijpend en minder fijnmazig in ruimte en tijd dan een permanent aanwezige, mobiel grazende populatie.
3.3 Beperkingen van begrazing door grote herbivoren als instrument voor natuurbeheer
Uit de uitgevoerde analyses volgt dat geen van de alternatieve beheeropties – zoals inzet van runderen, paarden, andere schapenrassen of intensivering van mechanische maatregelen – de specifieke graasfunctie van de moeflon volledig kan overnemen (Bruinderink & Hazebroek 2018; Van den Brink 2022). Samengevat (zie ook §3.1.1):
Andere grote grazers (rund, paard) mijden vaak de schrale, droge zandige delen, gebruiken het gebied anders en eten nauwelijks dennenopslag;
Gedomesticeerde schapenrassen hebben een andere voedselvoorkeur en missen deels de combinatie van mobiliteit, terreingebruik en de consumptie van opschot die de moeflon kenmerkt;
Mechanisch beheer kan lokaal en tijdelijk openheid creëren, maar is:
moeilijk schaalbaar tot het niveau van honderden hectaren;
ecologisch grofmazig en potentieel verstorend. Zo kan plaggen leiden tot verlies van bodemleven en zaadbanken, terwijl maaien gepaard kan gaan met het verwijderen van vegetatie en insectenfauna;
financieel en organisatorisch zwaar;
niet continu aanwezig zoals een grazende populatie.
De inzet van grote herbivoren als beheerinstrument is in Europa een belangrijk onderdeel geworden van natuurbeheer, met name in half-natuurlijke ecosystemen zoals graslanden, heide en open boslandschappen. Begrazing kan bijdragen aan het behouden van vegetatiestructuren, het beperken van dominante plantensoorten en het bevorderen van habitatdiversiteit (Gordon 2004; Metera et al. 2010). Tegelijkertijd benadrukt een groeiende wetenschappelijke literatuur dat begrazing slechts één van de ecologische processen is die de dynamiek van vegetatie sturen en dat het gebruik van grote herbivoren duidelijke beperkingen kent (Newton et al. 2009).
Een eerste beperking is dat de effecten van begrazing sterk contextafhankelijk zijn. De impact van herbivoren op vegetatiestructuur en biodiversiteit wordt bepaald door factoren zoals bodemvruchtbaarheid, klimaatomstandigheden, graasintensiteit en de soort herbivoor die wordt ingezet. Studies tonen aan dat begrazing in sommige systemen kan leiden tot een toename van grasdominantie of veranderingen in de verhouding tussen gras- en struikvegetatie, terwijl andere vegetatiekenmerken nauwelijks reageren (Newton et al. 2009). Hierdoor blijft het moeilijk om begrazing als een universeel toepasbare beheermaatregel te beschouwen.
Daarnaast zijn herbivoorsoorten functioneel niet uitwisselbaar. Verschillen in lichaamsgrootte, voedselvoorkeur, graasstrategie (zie §3.1.1) en ruimtelijk gedrag leiden tot uiteenlopende effecten op vegetatiestructuur. Sommige soorten concentreren zich op grasrijke vegetaties, terwijl andere ook houtige opslag benutten of juist bepaalde habitats vermijden. Hierdoor kan het vervangen van één herbivoorsoort door een andere tot wezenlijk andere vegetatieontwikkelingen leiden (Gordon 2004).
Een derde beperking betreft de controle van houtige opslag. In veel Europese heidelandschappen blijkt dat begrazing door runderen, paarden of schapen slechts in beperkte mate de vestiging van bomen en struiken voorkomt. Vooral de opslag van grove den (Pinus sylvestris) vormt in droge heidesystemen een belangrijk probleem. Onderzoek in Noordwest-Europese heidegebieden laat zien dat natuurlijke regeneratie van dennen snel kan optreden wanneer beheermaatregelen ontbreken en dat begrazing door vee deze ontwikkeling vaak onvoldoende remt (Bokdam 2000; Mitchell et al. 2008). Hierdoor zijn aanvullende beheermaatregelen zoals plaggen, maaien of het handmatig verwijderen van opslag vaak noodzakelijk om open heidelandschappen te behouden (Newton et al. 2009).
Ook de graasdruk speelt een cruciale rol. Wanneer herbivoordichtheden te hoog worden, kan begrazing leiden tot degradatie van vegetatie, bodemerosie en een afname van plantendiversiteit. Overbegrazing kan ecosystemen zelfs blijvend veranderen doordat vegetatie onvoldoende tijd krijgt om te herstellen (Mysterud 2011).
Ten slotte wijzen verschillende studies erop dat begrazing in natuurbeheer vaak slechts een benadering van historische verstoringsregimes vormt. In moderne Europese landschappen zijn ecosystemen sterk gefragmenteerd en worden herbivoorpopulaties doorgaans door mensen gereguleerd. Daardoor ontbreekt vaak de volledige dynamiek van natuurlijke systemen waarin herbivoren, predatoren, brand en andere verstoringen gezamenlijk vegetatiepatronen vormgeven (Metera et al. 2010; Vera 2000).
Gezamenlijk leidt deze literatuur tot de conclusie dat begrazing door grote herbivoren een waardevol instrument kan zijn voor natuurbeheer, maar dat het zelden op zichzelf voldoende is om vegetatiestructuur en habitatdiversiteit te sturen. In veel ecosystemen is een combinatie van begrazing met andere beheermaatregelen noodzakelijk om de gewenste vegetatiedynamiek en biodiversiteit te behouden. De praktijk in Het Nationale Park De Hoge Veluwe laat zien dat moeflons effectiever zijn in het onderdrukken van grove-den-opslag dan de momenteel gebruikte mechanische technieken.
4. Wolvenpredatie in een omrasterd systeem
4.1 Juridische status van Het Nationale Park De Hoge Veluwe als wolvenleefgebied
Met de terugkeer van de wolf op de Veluwe is een acute bedreiging ontstaan voor de moeflonpopulatie binnen het volledig omrasterde Park. Deze rasters werden door de Provincie Gelderland als afdoende bescherming gezien tegen pogingen van wolven om binnen te dringen (Van den Brink 2022). Daarmee wordt Het Nationale Park De Hoge Veluwe geen uitzonderingspositie gegund. Het Park- in feite een cultuur landschap- wordt door de wet en de rechter behandeld als een natuurgebied zoals elk ander natuurgebied in Nederland. In 2021 zijn desondanks één en later twee wolven binnen het Park terechtgekomen, mogelijk niet door natuurlijke dispersie. Het zwak aanwezige antipredatorgedrag van de moeflon maakt deze diersoort extreem kwetsbaar voor wolvenpredatie in laagland‑situaties. Hierbij is vaak sprake van zogenaamde ‘surplus killing’, waarbij wolven veel meer prooien doden dan nodig is voor hun voedselbehoefte. Dit fenomeen treedt logiserwijze niet op in situaties waarin hun prooidieren zich effectief verdedigen of kunnen vluchten.
4.2 Mismatch in antipredatorgedrag en surplus killing
In 2021 is een eerste wolf binnen de rasters van Het Nationale Park De Hoge Veluwe geraakt en kort daarop gevolgd een tweede. Deze dieren zijn toen in een luilekkerland voor predatoren gekomen. Moeflons zijn, door hun evolutionaire oorsprong op eilanden zonder grote landpredatoren, onvoldoende uitgerust met effectief antipredatorgedrag tegen wolven. Jansman et al. spreken in dit verband van een ‘mismatch’ (Jansman et al., 2021):
in bergachtige habitats vluchten moeflons naar steile rotswanden en blijven daar buiten bereik;
in vlakke laaglandgebieden (zoals de Veluwe) vluchten zij over korte afstand en blijven vervolgens staan om “om te kijken”, wat hen uiterst kwetsbaar maakt voor langdurige achtervolging door wolf of hond.
Wanneer een wolf in een relatief kleine, afgesloten ruimte toegang krijgt tot een grote concentratie prooidieren, doodt hij aanzienlijk meer dieren dan strikt noodzakelijk voor directe voedselvoorziening. Dit staat bekend als “surplus killing”. Dit abnormale gedrag kon binnen Het Nationale Park De Hoge Veluwe waargenomen worden. De aanwezigheid van twee wolven heeft in korte tijd geleid tot een totale reductie van de moeflonpopulatie.
4.3 Populatieafname en uitsterven
Empirische gegevens van Het Nationale Park De Hoge Veluwe tonen dat de vrijlevende moeflonpopulatie binnen nog geen anderhalf jaar is gedaald van 339 naar 0 dieren. Het Park is niet het enige slachtoffer van locale Moeflon extictie. Jansman et al. (2021) verwijzen naar een casus in Saksen (Duitsland) waar een moeflonpopulatie in een vergelijkbare context is verdwenen als gevolg van wolvenpredatie.
De auteurs achten het waarschijnlijk dat hetzelfde mechanisme een rol heeft gespeeld bij het verdwijnen van de moeflon op de Noord‑Veluwe.
4.4 Gevolgen voor Natura-2000‑doelen
Het verdwijnen of sterk terugvallen van de moeflonpopulatie heeft directe gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van diverse Natura-2000‑habitattypen en de eraan gekoppelde vogelsoorten. Zonder de specifieke begrazing door moeflons:
zal vergrassing en verbossing van H2310, H2330 en H6230* versnellen;
kan de habitatkwaliteit al binnen enkele jaren afnemen; mede door langdurige stikstofdepositie kan een stuifzandheide binnen 3–6 jaar dichtgroeien met Grove den‑opschot;
komen, door het relatief grote aandeel van Het Nationale Park De Hoge Veluwe in het Veluwse areaal van deze typen, de instandhoudingsdoelen voor de hele Veluwe in gevaar.
Gegeven de centrale bijdrage van Het Nationale Park De Hoge Veluwe voor deze prioritaire habitattypen en voor enkele Vogelrichtlijnsoorten, betekent verlies van de moeflon een substantiële verslechtering van de gunstige staat van instandhouding op gebiedsniveau.
5. Juridisch kader: wolf, moeflon, Natura-2000 en gehouden versus wild dier
5.1 Natura-2000 en instandhoudingsverplichtingen
Uit de aanwijzing van de Veluwe als Natura-2000‑gebied volgt voor de overheid een resultaatsverplichting om de vastgestelde instandhoudingsdoelen te realiseren en te behouden. Voor Het Nationale Park De Hoge Veluwe is dat, gezien de hoge relatieve bijdrage aan enkele prioritaire habitattypen, een extra groot gewicht.
Het parkbeheer heeft, in samenhang met de moeflonbegrazing, aantoonbaar bijgedragen aan het behoud en herstel van:
H2310 stuifzandheiden,
H2330 zandverstuivingen,
H6230* heischrale graslanden,
en aan de kwaliteit van kerngebieden voor de eerder genoemde vogelsoorten.
Het nalaten van effectieve maatregelen tegen een bedreiging die tot verslechtering van deze habitats leidt – in casu het ongecontroleerd laten voortbestaan van wolvenpredatie binnen het Park kan op gespannen voet komen te staan met de verplichting om de gunstige staat van instandhouding niet te laten verslechteren.
5.2 Bern‑conventie en de moeflon
Naast Europese en nationale natuurwetgeving is het Verdrag van Bern relevant (1979 ondertekend door Nederland) voor de moeflon. In de bijlagen van dit verdrag is de moeflon opgenomen, en in de preambule wordt erkend dat wilde flora en fauna een “natuurlijk erfgoed van esthetische, wetenschappelijke, culturele, recreatieve, economische en intrinsieke waarde” vormen dat moet worden bewaard en aan toekomstige generaties overgedragen.
Artikel 2 van de Bern‑conventie verplicht de partijen om populaties van wilde flora en fauna op een niveau te houden dat beantwoordt aan ecologische, wetenschappelijke en culturele vereisten, rekening houdend met economische en recreatieve belangen. Artikel 3 legt staten op om nationaal beleid te voeren voor het behoud van wilde flora, fauna en natuurlijke habitats, met bijzondere aandacht voor bedreigde soorten en habitats.
Artikel 8 verbiedt – voor soorten in bijlage III en in bepaalde gevallen bijlage II – het gebruik van vang‑ en dodingsmethoden die de plaatselijke verdwijning of ernstige verstoring van populaties kunnen veroorzaken. Deze bepaling kan breder worden uitgelegd dan alleen het opnemen van soorten in nationale lijsten; zij onderstreept dat het bewust laten voortbestaan van omstandigheden die tot lokaal uitsterven leiden in strijd kan komen met de strekking van het verdrag.
Kortom: ook al is de moeflon nationaal (nog) niet als beschermde soort erkend, het Verdrag van Bern legt de Nederlandse staat wel degelijk verplichtingen op ten aanzien van behoud van de soort en haar leefgebied, zeker in een kerngebied als Het Nationale Park De Hoge Veluwe.
5.3 Nationale discussie over beschermingsstatus moeflon
In 2025 is in de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht om advies over de indeling van diersoorten als inheems, exoot of invasieve exoot en, in aansluiting daarop, specifiek over de mogelijke status van de moeflon als inheemse diersoort in plaats van exoot. Op basis daarvan heeft het ministerie van LVVN het bureau Bestia et Lex, in samenwerking met FaunaPartner, gevraagd een advies op te stellen over de beschermingsstatus van de moeflon (Bestia et. al 2025).
Het betreffende rapport beschrijft de ecologie en verspreiding van de moeflon in Europa en Nederland, de regels rond de aanwijzing en bescherming van inheemse soorten, de positie van exoten en invasieve exoten en de mogelijkheden om de moeflon als beschermde soort aan te wijzen. In hoofdstuk 7 van het adviesrapport van Bestia et. al worden conclusies getrokken over de vraag of aanwijzing van de moeflon als beschermde soort voor de hand ligt (Bestia et. al 2025).
5.5 Juridisch regime wolf en mogelijkheden tot derogatie
De wolf is in Europa inmiddels een beschermde soort die een vergelijkbare bescherming geniet als bijvoorbeeld edelherten, wilde zwijnen en het ree. Na aanpassing van de nationale regelgeving zou dat betekenen dat onder dezelfde voorwaarden als die bij reeën, edelherten en wilde zwijnen, derogaties mogelijk zijn, bijvoorbeeld:
geen andere bevredigende oplossing;
in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna;
ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;
geen afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.
Overigens ook toen de wolf als soort nog een strikte bescherming genoot, kon een beroep op derogatie gemaakt worden (ter bescherming van andere zwaarwegende natuur‑ of erfgoedwaarden; voor redenen van groot openbaar belang, waaronder culturele en ecologische belangen). Boerema et al. (2021) beschrijven de toenmalige juridische bescherming van de wolf in Nederland en andere Europese landen en geven aan hoe nationale beleidskaders derogaties kunnen invullen binnen de kaders van Europese natuurbescherming. In Duitsland kende de deelstaat Brandenburg een Wolfsverordnung (BbgWolfV) en een Wolfsmanagementplan (2019), waarin onder voorwaarden toestemming kon worden verleend voor het doden van individuele wolven bij herhaaldelijke schade of bijzondere omstandigheden. Inmiddels is het beschermingsniveau verlaagd van strikt beschermd naar beschermd en is derogatie zoals dat voor de andere wildsoorten in Nederland geldt binnen afzienbare tijd mogelijk.
Dit betekent dat:
de bescherming van de wolf niet langer strikt is,
gericht beheer van individuele dieren in bepaalde situaties mogelijk zal worden,
mits gebaseerd op reguliere afweging, waaronder monitoring en alternatievenbeoordeling, ingebed in nationale regelgeving en transparant beleid.
In de context van Het Nationale Park De Hoge Veluwe betreft het bovendien geen willekeurig jachtbelang, maar het voorkomen van lokaal uitsterven van een (mogelijk) te beschermen soort en het waarborgen van Natura-2000‑doelen en cultuurhistorisch erfgoed.
6. Integrale afweging en beantwoording van tegenargumenten
6.1 Ecologische versus cultuurhistorische waarden
Een veelgehoord argument is dat de wolf als herstelde toppredator een intrinsieke ecologische waarde heeft en dat een “natuurlijk” functionerend ecosysteem juist baat heeft bij zijn aanwezigheid. De mate waarin wolven daadwerkelijk leiden tot langdurige goed functionerende trofische cascades is in Europa onderwerp van wetenschappelijk debat. Echter de ervaringen in Yellowstone National Parc lopen niet parallel met de aannames van de Europese ecologen. Inmiddels is duidelijk dat ‘wolven wel decimeren maar niet reguleren’ (Wolves, Mech et al)
In Het Nationale Park De Hoge Veluwe is de situatie echter fundamenteel anders:
het gaat om een afgebakend, volledig omrasterd terrein dat door menselijk ontwerp en beheer een Het Nationale Park De Hoge Veluwe vormt;
de moeflon is er al ruim honderd jaar gevestigd en speelt een cruciale rol in het behoud van Europees waardevolle habitats;
de wolf is niet als reguliere gebruiker van dit omrasterde systeem voorzien; Het Nationale Park De Hoge Veluwe is juist niet als wolvenleefgebied aangewezen.
Ecologisch is het dus geen keuze tussen “natuur met wolf” of “natuur zonder wolf”, maar tussen:
een omrasterd landschap met moeflon, open habitats en bijbehorende soorten, versus
een omrasterd landschap zónder moeflon, waarin open habitats versneld dichtgroeien en Natura-2000‑doelen in gevaar komen.
6.2 Geen alternatief voor moeflonbegrazing
Een tweede tegenargument is dat andere beheersvormen (mechanische maatregelen, andere grazers, intensiever menselijk ingrijpen) de rol van de moeflon zouden kunnen overnemen, waardoor het niet nodig zou zijn om in te grijpen in de wolvenstand.
De beschikbare analyses laten echter zien dat:
de moeflon een unieke combinatie van terreingebruik en voedselvoorkeur heeft, met name door het eten van Grove den‑opschot;
alternatieven afzonderlijk én in combinatie niet in staat zijn om de te verwachten achteruitgang van H2310, H2330 en H6230* tijdig en volledig te voorkomen;
intensieve mechanische maatregelen ecologisch grofmazig, kostbaar en landschappelijk ingrijpend zijn, en juist botsen met het streven naar zo natuurlijk mogelijk beheer door kleinschalig ingrijpen.
Deze constatering is cruciaal: als er géén volwaardig alternatief bestaat voor moeflonbegrazing en de moeflon binnen het omrasterde Park door wolvenpredatie dreigt te verdwijnen, is het niet ingrijpen bij de wolf feitelijk een keuze tégen de instandhouding van Natura-2000‑doelen en erfgoed.
6.3 Dierenwelzijn en ethische overwegingen
Een derde tegenargument betreft het dierenwelzijn van wolven waarbij afschot of doding door sommige groeperingen principieel wordt afgewezen. Ethisch moet echter een breder dierenwelzijnsperspectief worden gehanteerd:
ongebreidelde predatie binnen een omheind gebied, bij een prooisoort zonder effectieve vluchtmogelijkheden, leidt tot herhaald en omvangrijk lijden bij moeflons;
surplus killing resulteert in het doden van veel meer dieren dan nodig is voor voedselvoorziening;
de keuze om níet in te grijpen betekent in de praktijk een stilzwijgende acceptatie van langdurig en massaal dierenleed bij een soort die binnen hekken in zekere zin aan menselijke zorg is toevertrouwd.
Een zorgvuldig opgezet beheer waarbij individuele wolven worden gevangen en bij voorkeur verplaatst, en zo nodig worden gedood, kan juist leiden tot een vermindering van totaal dierenleed.
6.4 Het argument van “zelf gecreëerde problemen”
Tot slot wordt vaak opgemerkt dat de huidige situatie het gevolg is van menselijk handelen: de introductie van moeflons, het omrasteren van een groot terrein, het in stand houden van een “onnatuurlijke” wildstand en het toestaan van wolven in het omringende landschap.
De consequentie van dit argument is echter niet dat de overheid en Het Nationale Park De Hoge Veluwe moeten afzien van ingrijpen, maar juist dat zij extra verantwoordelijkheid dragen voor het beheersen van de risico’s die uit deze door mensen gecreëerde configuratie voortkomen.
In morele en juridische zin geldt: wie een populatie dieren binnen hekken houdt en daarop vertrouwde (beheer‑ en erfgoed)functies laat rusten, kan zich niet beroepen op “natuurlijk verloop” wanneer een nieuwe predator binnen dat hek verschijnt en de populatie naar uitsterven drijft.
7. Conclusies en aanbevelingen
7.1 Conclusies
Het Nationale Park De Hoge Veluwe levert een disproportioneel grote bijdrage aan diverse Natura-2000‑doelen op de Veluwe.
Met name voor H2310 stuifzandheiden, H2330 zandverstuivingen en H6230* heischrale graslanden ligt een groot deel van het totale Veluwse areaal binnen het Park, tot 58% voor heischrale graslanden.De moeflon is ecologisch essentieel voor het openhouden en in goede staat houden van deze habitattypen.
De soort onderscheidt zich door het eten van Grove den‑opschot en het benutten van schrale, droge zandige habitats, waardoor vergrassing en verbossing onder invloed van stikstofdepositie worden tegengegaan. Alternatieve grazers en mechanische maatregelen bieden geen volwaardige vervanging.De moeflon is een integraal onderdeel van het cultuurhistorische Gesamtkunstwerk Het Nationale Park De Hoge Veluwe en vervult een belangrijke rol in recreatie en economie van het park.
Sinds 1921 maakt de soort deel uit van het “totale pakket van grote cultuurhistorische waarde” dat in 1935 leidde tot oprichting van Het Nationale Park De Hoge Veluwe; de moeflon is dagactief en trekt bezoekers aan.Wolvenpredatie binnen het omrasterde Park vormt een acute bedreiging voor de moeflonpopulatie.
Door een evolutionaire mismatch in antipredatorgedrag en het optreden van surplus killing binnen het raster is de populatie binnen twee jaar gehalveerd, met een reëel risico op lokaal uitsterven als geen maatregelen worden genomenHet verdwijnen van de moeflon zal leiden tot significante verslechtering van Natura 2000‑habitats en het in gevaar brengen van instandhoudingsdoelen voor de hele Veluwe.
Met name H2310, H2330 en H6230* zullen door vergrassing en verbossing in kwaliteit achteruitgaan; ook kernpopulaties van kwetsbare heide‑ en stuifzandvogels zullen worden getroffen.Het Verdrag van Bern en Natura-2000‑verplichtingen leggen de Nederlandse staat niet alleen plichten op jegens de wolf, maar ook jegens de moeflon en haar leefgebied.
De moeflon wordt in de Bern‑conventie erkend als deel van het natuurlijke en culturele erfgoed, en de conventie verplicht tot het op een passend niveau houden van populaties rekening houdend met ecologische én culturele vereisten.De bijzondere status van de moeflon (tussen gehouden en wild dier) vergroot de verantwoordelijkheid van Park en overheid.
De populatie leeft binnen hekken, is bewust geïntroduceerd en wordt beheerd; daarmee rust een expliciete zorgplicht op de mens om te voorkomen dat deze populatie door een nieuw verschenen predator in een gevangen situatie wordt uitgeroeid.In Europese en nationale jurisprudentie en beleidspraktijk bestaat ruimte voor gerichte derogaties op de bescherming van de wolf.
Zelfs onder het regime van strikte bescherming bestonden onder voorwaarden mogelijkheden tot afvang en doding van individuele wolven, onder meer ter bescherming van andere zwaarwegende natuur‑ of erfgoedbelangen. Verlaging van het beschermingsniveau van strikt beschermd naar beschermd, maakt derogatie eenvoudiger.Binnen de specifieke context van het omrasterde Gesamtkunstwerk Het Nationale Park De Hoge Veluwe is het ecologisch, juridisch en cultuurhistorisch verdedigbaar om te pleiten voor afvangen dan wel doden van wolven binnen de rasters van Het Nationale Park De Hoge Veluwe.
7.2 Aanbevelingen
1. Veranker de uitzonderingspositie van Het Nationale Park De Hoge
Veluwe in wolvenbeleid.
Erken in landelijk en provinciaal beleid dat Het Nationale Park
De Hoge Veluwe, vanwege:
zijn omrastering en status buiten het reguliere wolvenleefgebied,
zijn aanzienlijke bijdrage aan Natura-2000‑doelen,
de unieke rol van de moeflon,
zijn statutair en feitelijk erkende status als cultuurhistorisch Gesamtkunstwerk,
een bijzondere categorie vormt waarin gerichte wolvenmaatregelen mogelijk en wenselijk zijn.
2. Maak afvang en herplaatsing van wolven die binnen
de rasters van Het Nationale Park De Hoge Veluwe terechtkomen
voorkeursstrategie.
Ontwikkel een operationeel protocol voor het snel opsporen, vangen en
verplaatsen van wolven die binnen de rasters terechtkomen. Dit protocol
moet voldoen aan:
strikte dierenwelzijnseisen,
transparante monitoring van effecten op wolvenpopulatie en andere belangen,
vooraf afgestemde afspraken met omliggende beheerders.
3. Leg juridisch vast dat doding van wolven binnen
Het Nationale Park De Hoge Veluwe mogelijk is.
Indien afvang of verplaatsing niet uitvoerbaar of niet effectief blijkt,
moet – binnen de kaders van Europese en nationale regelgeving – de
mogelijkheid bestaan om individuele wolven binnen de rasters gericht te
doden, wanneer:
is aangetoond dat hun aanwezigheid leidt tot ernstige aantasting van moeflonpopulatie en Natura-2000‑doelen;
geen realistisch alternatief beheer bestaat (zoals overtuigend onderbouwd in de eerdere analyses);
een proportionaliteits‑ en subsidiariteitstoets dit ondersteunt.
4. Versterk de juridische positie van de
moeflon.
Geef, in vervolg op het adviestraject over de beschermingsstatus,
prioriteit aan:
erkenning van de moeflon als beschermde soort, dan wel als dermate zwaarwegende erfgoed‑ en beheercomponent dat de soort gelijkwaardig aan beschermde soorten wordt behandeld;
expliciete verankering van de rol van de moeflon in beleidsdocumenten over Natura- 2000, stikstof en heide‑ en stuifzandbeheer.
5. Borg onafhankelijke monitoring en
evaluatie.
Richt een onafhankelijk monitoringsprogramma in dat:
de ontwikkeling van moeflonpopulatie, habitatkwaliteit (H2310, H2330, H6230*) en kernvogelsoorten volgt;
de effecten van eventuele wolvenmaatregelen op de wolf op landschapsniveau monitort;
elke 3–5 jaar een evaluatie levert op basis waarvan het beleid kan worden bijgesteld.
6. Communiceer helder richting publiek en
politiek.
Formuleer een duidelijke narratief waarin:
de uitzonderlijke positie van De Hoge Veluwe als omrasterd Gesamtkunstwerk wordt uitgelegd;
het belang van de moeflon voor Natura-2000 en erfgoed concreet en aansprekend wordt gemaakt;
wordt benadrukt dat maatregelen tegen wolven binnen het Park geen afbreuk doen aan de bescherming van de soort als geheel op de Veluwe, maar juist dienen om een ander zwaarwegend natuur‑ en erfgoedbelang veilig te stellen.
Literatuurlijst
| Apollonio M, Andersen R, Putman R.(2010) European Ungulates and Their Management. Cambridge University Press |
|---|
| Van den Brink, D. B. (Bob). (2022). Instandhouding Natura-2000-doelen Het Nationale Park De Hoge Veluwe, en de rol van de moeflon. Boerema & Van den Brink B.V. |
Bestia et Lex, & FaunaPartner. (2025). Beschermingsstatus moeflon. Definitief 07‑10‑2025. Bartolomé J, Franch J, Plaixats J, Seligman NG. (1998) Diet selection by sheep and goats on Mediterranean heath-woodland range. J Range Manage.;51:383-391. |
| Basten, M. van, & Fonteijn, R. (2021). Moeflon in Nederland, 1921–2021. Vereniging De Moeflon. |
| Boer, M. den. (2005). De moeflon, een zeldzaam wild huisdier. Zoogdier, 16(3). |
| Bijlsma, R. J., et al. (2014). De natuurwaarde van flora en vegetatie van het Nationale Park De Hoge Veluwe. |
| Bijlsma, R. J., et al. (2015). Vegetatie-, beheer- en habitattypen van Het Nationale Park De Hoge Veluwe in 2014. |
Boerema, L., Freriks, A. A., & Brink, D. B. van den. (2021). De juridische bescherming van de wolf in Nederland en in een aantal andere Europese landen. Boerema & Van den Brink / Element Advocaten. Bokdam, J. 2000. Effects of free-ranging cattle on vegetation dynamics in heathlands. Wageningen University, Wageningen. Bruinderink G. W. T. A. Groot, & Hazebroek, E. (2018). De moeflon, een ingeburgerde en controleerbare exoot. Kijk op Exoten. Bryant JP, Chapin FS, Klein DR. (1983) Carbon/nutrient balance of boreal plants in relation to herbivory. Oikos. 1983;40:357-368. Clauss M, Kaiser T, Hummel J. (2008) The morphophysiological adaptations of browsing and grazing mammals. Biol Rev. 2008;83:255-272. Cugnasse JM, Aulagnier S. (1997) Mouflon ecology and habitat use in Mediterranean ecosystems. Mammal Rev.;27:1-18. Duncan P, Foose TJ, Gordon IJ, Gakahu CG, Lloyd M. (1990) Comparative nutrient extraction from forages by grazing bovids and equids. Oecologia;84:411-418. Gordon IJ, Prins HHT. (2008) The Ecology of Browsing and Grazing. Springer Gordon, I.J. 2004. The management of wild large herbivores to meet economic, conservation and environmental objectives. Journal of Applied Ecology 41:1021–1031. Illius AW, Gordon IJ. (1990) Diet selection in mammalian herbivores. In: Hughes RN, ed. Behavioural Mechanisms of Food Selection. Blackwell. |
Jansman, H. A. H., et al. (2021). De wolf terug in Nederland: Een factfinding study. Wageningen Environmental Research, Rapport 3107. Metera, E., Sakowski, T., Słoniewski, K., & Romanowicz, B. 2010. Grazing as a tool to maintain biodiversity of grassland. Animal Science Papers and Reports 28:315–334. Mitchell, R.J., Marrs, R.H., Le Duc, M.G., & Auld, M.H.D. 2008. A study of succession on lowland heath in Dorset, southern England: changes in vegetation and soil characteristics. Journal of Ecology 86:623–636. Mysterud, A. 2011. Overgrazing and ecosystem degradation. In: Ecological impacts of grazing. Oxford University Press. Newton, A.C., et al. 2009. Impacts of grazing on lowland heathland: a systematic review. Biological Conservation 142:935–947. Olff H, Ritchie ME, Prins HHT.(2002) Global environmental controls of diversity in large herbivores. Nature.;415:901-904 Putman RJ, Pratt RM, Ekins JR, Edwards PJ. (1987) Food and feeding behaviour of cattle and ponies in the New Forest. J Appl Ecol.;24:369-380. Reimoser F, Putman RJ. (2011) Impact of wild ungulates on forest vegetation. For Ecol Manage.;181:33-44. Shackleton DM. (1997) Wild Sheep and Goats and Their Relatives. IUCN.\ Van den Brink, H. 2022. Ecologische rol van de moeflon in Nederlandse heidelandschappen. Stichting Faunabeheer. Van Soest PJ.(1994) Nutritional Ecology of the Ruminant. Cornell University Press. Vera FWM. (2000) Grazing Ecology and Forest History. CABI. |
| Wagner, C., et al. (2012). Wolf (Canis lupus) feeding habits during the first eight years of its occurrence in Germany. Mammalian Biology, 77(3), 196–203. |
| Verordnung über die Zulassung von Ausnahmen von den Schutzvorschriften für den Wolf (Brandenburgische Wolfsverordnung – BbgWolfV). (2018, 26 januari). |
| Wolfsmanagementplan Brandenburg. (2019). Land Brandenburg. |
| Herstelprogramma’s Natura-2000 Veluwe. (z.d.). Syntheserapport Deelgebied 10 NP De Hoge Veluwe e.o. (concept). |
| Raad van Europa. (z.d.). Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa (Bern‑conventie). |
| LNV. (2006). Natura-2000 doelendocument – hoofddocument. |
| LNV. (2005–2006). Natura-2000 contournennotitie en Natura-2000 doelendocument, Duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten. |
https://www.europarl.europa.eu/news/nl/press-room/20250502IPR28221/de-wolf-ep-stemt-in-met-wijziging-beschermingsstatus-in-de-eu↩︎